In Antelope Canyon wordt licht minder bepaald door de locatie dan door de interne structuur van de canyon.
Wandhoogte, de vorm van de openingen en de oriëntatie van de route bepalen
of licht verschijnt als een geconcentreerde straal, een zachte reflectie of een hard schaduwcontrast.
Upper Antelope Canyon heeft smalle, relatief rechte openingen
waardoor zonlicht in bepaalde seizoenen onder duidelijke hoeken binnenvalt. Dat creëert de beroemde verticale lichtstralen
en een beter controleerbaar, beter herhaalbaar licht langs een vlakke, begeleide route.
Lower Antelope Canyon volgt een kronkelende, bijna spiraalvormige route,
met openingen die steeds van breedte en richting veranderen. Hier verstrooit het licht sterker en weerkaatst het vaker tegen de wanden,
waardoor zachtere verlichting, subtielere kleurverlopen en meer diepte ontstaan dan scherp afgetekende lichtstralen.
Antelope Canyon X heeft bredere openingen en meerdere kamers met verschillende richtingen.
Het licht valt vrijer naar binnen, maar minder voorspelbaar, en zorgt voor duidelijke overgangen tussen licht en schaduw.
Het is minder afhankelijk van een smal seizoensvenster, maar daardoor op het moment zelf ook minder strak te controleren.
In alle drie de canyons draait het niet alleen om de vraag of er lichtstralen zijn of niet.
De combinatie van vorm, openingsgeometrie en routeontwerp bepaalt
hoe licht beweegt en hoe de ervaring in de canyon uiteindelijk aanvoelt.